Met trillende vingers laten de broers hun handen over het roestige metaal glijden. De witte letters op het deksel zijn versleten, maar nog goed leesbaar: W. R. Savelkoul. Daaronder, in rode letters, Surabaja, in de oud-Nederlandse spelling. Daar weer onder bagageruim.
"Kippenvel", fluistert Frits tegen zijn broer Peter. De broers zijn er stil van. Dit is de kledingkist van hun vader. Minstens 70 jaar oud. "Hij is echt geleefd, hè?" Het is een ware schatkist, precies zoals je ze vroeger in avonturenboeken zag. "Maar wij wisten niet eens dat hij bestond."
Het is een aaneenschakeling van bizar toeval die de Bredanaars op deze Hemelvaartsdag naar Zeeland brengt. Een paar weken geleden is een collega van hun neef Willem (44) een weekendje weg in de provincie. Hij gaat eten bij Indisch restaurant Bandoeng in Oost-Souburg.
Terwijl hij wacht, kijkt hij naar de nostalgische inrichting. Hij ziet wajangpoppen, een grote rode landkaart van Indonesië en een stapel oude scheepskisten in een hoekje van het restaurant. Zijn oog valt op de grote kist met daarop de naam Savelkoul. Geen veelvoorkomende naam, maar toevallig wél de achternaam van Willem.
Hij maakt een foto en appt die door. Willem deelt het plaatje vervolgens weer met zijn ooms Frits en Peter. Ineens is er een tastbaar bewijs van een verleden waar thuis nooit over werd gepraat. "Het is echt onvoorstelbaar dat we hier nu zitten", verzucht Frits, terwijl hij naar de kist blijft kijken.
Mode-imperium
Die geleefde hutkoffer die nu op de tafel van het restaurant staat, vormt een pijnlijk contrast met de rijkdom die de familie vroeger kende. In de eerste helft van de vorige eeuw is Savelkoul een gigantisch mode-imperium. Het begint in het Belgische Antwerpen, waar de naam nog altijd groot op een monumentaal gebouw in het centrum prijkt. Al snel waaiert de familie uit over de wereld.
Ook in Nederlands-Indië, het huidige Indonesië, openen ze enorme kledingwinkels. Ze leveren er zelfs kleding aan de hoogste bazen van de Nederlandse kolonie. Geld speelt in die tijd geen rol en de service gaat ongekend ver.
Zo is er een beroemd verhaal uit 1935. Een stationschef in de stad Purwakarta heeft halsoverkop een chic maatpak nodig voor een feest. Een kleermaker van Savelkoul springt direct in de sneltrein. Hij neemt in tien minuten de maten van de man op, reist vliegensvlug terug naar zijn naaiatelier en levert het complete pak nog diezelfde avond met de laatste trein af. Het staat allemaal uitvoerig beschreven in de familiegeschiedenis.
Op de vlucht
Maar het noodlot slaat meedogenloos toe. Na de Tweede Wereldoorlog neemt Japan in Nederlands-Indië de macht over. Niet veel later wil de Indonesische bevolking onafhankelijkheid. Er volgt een keiharde, bloedige oorlog. Voor Nederlanders is het er simpelweg niet meer veilig.
Vader Willem Rudolf Savelkoul, die in het koloniale leger (KNIL) zit, loopt groot gevaar en wil net als zovelen zo snel mogelijk met zijn jonge gezin weg. "Hij is bijna opgepakt omdat hij een uniform droeg", vertelt Peter aan de tafel met Indische kleedjes. "Mensen uit de haven hebben hem toen geholpen te vluchten."
Nobodies
Halsoverkop moet de familie het land verlaten. Alle overgebleven spullen proppen ze in die ene koffer. De bootreis naar Nederland, in 1953, brengt hen naar een land dat ze amper kennen. "De ontvangst is ijskoud", zegt Frits. De modetycoons van weleer belanden, net als zoveel andere vluchtelingen, in de houten barakken van het voormalige concentratiekamp Vught in Brabant.
"Mijn vader bestond in Nederland officieel niet meer", vervolgt Frits. "Militairen kregen op de boot naar Nederland al te horen dat ze ontslagen waren. Welke rang je ook had, daarna was je een nobody. Je werd simpelweg niet gezien of erkend." Thuis wordt de pijn doodgezwegen. Vader Willem, mogelijk ziek door de zware jaren, overlijdt al in 1982. Zijn vrouw leeft nog tot op hoge leeftijd, maar ook zij zegt over die periode niks. Het is de typerende 'Indische stilte': over trauma's praat je niet, je werkt hard en gaat gewoon door.
Verhaal móét verteld
De broers vinden het frustrerend dat deze geschiedenis voor de hedendaagse jeugd zo onbekend is. In de geschiedenisboeken gaat het zelden over de vlucht uit Indië en de ontvangst van honderdduizenden Indische Nederlanders en Molukkers in dorpen en steden. Ze krijgen bijval van Mark Leemans van restaurant Bandoeng.
"Het is allemaal in de doofpot gestopt", zegt hij. "Waarom wonen hier in Nederland zoveel Indische en Molukse mensen? Dat verhaal móét je blijven vertellen." Leemans is een oer-Hollandse Zeeuw, maar zijn vrouw is Moluks. Als bestuurslid van de Molukse stichting Mae Uku draagt hij de gemeenschap een warm hart toe. In het familierestaurant bewaakt hij dat stukje verleden.
De kist van Savelkoul kreeg hij jaren geleden van een kennis die deze gebruikte om speelgoed op te slaan. Vervolgens diende de kist als meubelstuk in de hoek, naast twee andere kisten van Marks eigen schoonfamilie. "Daar zaten nog oude kranten in toen we ze vonden, waaronder een PZC uit 1963", vertelt Mark lachend. "Nooit heb ik onderzoek naar de kist gedaan, tot ik laatst dat ene telefoontje kreeg."
Eindelijk naar huis
Nu neemt Leemans na jaren afscheid van de kist. Aan het eind van de middag moeten de broers beslissen wat er met de koffer gebeurt. Frits en Peter vinden dat neef Willem hem meteen mee naar huis moet nemen. Hij is de jongste en bracht de bal tenslotte aan het rollen. Willem schudt zijn hoofd en vindt het prima als het object later een keer naar hem komt. Hij gaat voorlopig mee naar Breda. "Als de kist maar in de familie blijft, dat is het belangrijkste", besluit Frits.